1900-1999: Van Raketpioniers tot Ruimtestations
1900 – 1949: De geboorte van de rakettechniek
De eerste helft van de 20steeeuw stonden vooral in het teken van de technologische raket ontwikkelingen door de wetenschappers. Robbert Goddard bouwde de eerste raket en Wernher von Braun ontwikkelde de Duitse V2 raket.
1950 – 1959: De pioniersjaren van de ruimtevaart
De Sovjet-Unie behaalde de eerste grote successen in de geschiedenis van de ruimtevaart. In 1957 lanceerden de Sovjets als eersten een kunstmatige satelliet in een baan om de aarde. Kort daarna volgde opnieuw een historische primeur toen de hond Laika als eerste levende wezen in een baan rond de aarde werd gebracht.
Ook tijdens de daaropvolgende ruimtewedloop wisten de Sovjets verschillende mijlpalen te bereiken. Zij waren de eersten die een ruimtevaartuig op de maan lieten landen en maakten als eerste foto’s van de tot dan toe onbekende achterkant van de maan. Met deze prestaties bevestigde de Sovjet-Unie haar leidende positie in de beginjaren van de ruimtevaart.
1960 – 1969: De race naar de Maan
De jaren zestig stonden volledig in het teken van de ruimtewedloop tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Beide grootmachten streden om technologische en politieke superioriteit, waarbij de belangrijkste doelen waren het als eerste brengen van een mens in de ruimte en uiteindelijk het landen van een mens op de maan.
Voordat mensen de ruimte in werden gestuurd, werden verschillende dieren ingezet om de effecten van ruimtevluchten te onderzoeken. Vooral de Sovjets gebruikten hiervoor honden, al verliepen deze missies niet altijd succesvol. De Sovjet-Unie behaalde in deze periode meerdere historische mijlpalen. Zo werd Yuri Gagarin in 1961 de eerste mens die een ruimtevlucht maakte. Twee jaar later werd Valentina Teresjkova de eerste vrouw in de ruimte. Ook lanceerden de Sovjets als eersten een ruimtevaartuig met drie kosmonauten aan boord.
Terwijl de ruimtewedloop in volle gang was, ontwikkelden beide landen steeds geavanceerdere ruimtevaartuigen en lanceersystemen. Deze race kende echter ook een tragische keerzijde. In 1967 kwam kosmonaut Vladimir Komarov om het leven tijdens de terugkeer van zijn ruimtecapsule naar de aarde. Datzelfde jaar verloren de Verenigde Staten drie astronauten tijdens een grondtest van de maanmissie van het ruimtevaartuig Apollo 1.
Aan het einde van het decennium werd duidelijk dat de Verenigde Staten de leiding hadden genomen in de strijd om de maan. De Sovjet-Unie zag af van een bemande maanlanding, waarna op 20 juli 1969 Neil Armstrong als eerste mens voet zette op het maanoppervlak. Daarmee wonnen de Verenigde Staten de belangrijkste fase van de ruimtewedloop.
1970 – 1979: Verkenning van het zonnestelsel
Na de historische maanlanding van 1969, waarbij de eerste mens voet zette op het maanoppervlak, kwam begin jaren zeventig een einde aan het tijdperk van de bemande maanmissies. De laatste bemande vlucht naar de maan vond plaats in 1972. Eerder, in 1970, was de missie van Apollo 13 ternauwernood aan een ramp ontsnapt.
In de jaren zeventig verlegden zowel de Sovjet-Unie als de Verenigde Staten hun aandacht naar de ontwikkeling en lancering van ruimtelaboratoria. Tegelijkertijd werden talrijke onbemande ruimtevaartuigen naar de maan en de planeten gestuurd om wetenschappelijk onderzoek uit te voeren.
Naarmate de spanningen van de Koude Oorlog afnamen, ontstond er meer samenwerking tussen de twee grootmachten in de ruimte. De Sovjet-Unie lanceerde zowel militaire als civiele ruimtestations, voerde maanverkenningen uit en testte verschillende onbemande ruimtecapsules. De Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA richtte zich onder meer op de verkenning van het buitenste zonnestelsel en stuurde ruimtesondes naar de vier grote reuzenplaneten.
Ook Europa kreeg een steeds belangrijkere rol in de ruimtevaart. De in 1975 opgerichte ESA lanceerde in 1979 met succes de eerste Ariane 1, terwijl ook andere ruimtevaartorganisaties nieuwe generaties draagraketten ontwikkelden en in gebruik namen. Hierdoor groeide de ruimtevaart uit tot een steeds internationaler en veelzijdiger werkterrein.
1980 – 1989: Het Shuttle-tijdperk
De jaren tachtig vormden een belangrijke periode in de ontwikkeling van de ruimtevaart. In de eerste helft van het decennium werden drie nieuwe Space Shuttles aan de Amerikaanse vloot toegevoegd, waardoor het aantal bemande missies aanzienlijk toenam. Ook werd het eerste Spacelab, dat mede door de Europese ruimtevaartorganisatie ESA was gefinancierd, in gebruik genomen voor wetenschappelijk onderzoek in de ruimte. In 1983 schreef NASA geschiedenis met de lancering van haar eerste vrouwelijke astronaut.
De Sovjet-Unie zette haar succesvolle programma voor ruimtestations voort met de lancering van Salyut 7 en stuurde daarnaast meerdere onbemande ruimtevaartuigen naar Venus voor verder onderzoek van de planeet en haar atmosfeer. Tegelijkertijd werden wereldwijd nieuwe draagraketten ontwikkeld en in gebruik genomen door ruimtevaartorganisaties zoals NASA, ESA, de Chinese ruimtevaartorganisatie CNSA en de Japanse ruimtevaartorganisatie JAXA.
In 1985 werd de eerste Nederlandse astronaut, Wubbo Ockels, gelanceerd aan boord van de Space Shuttle Challenger. Een jaar later werd het Space Shuttle-programma echter getroffen door een zware ramp toen de Challenger kort na de lancering uiteenviel, waarbij alle zeven bemanningsleden om het leven kwamen.
Ondanks deze tegenslag bleef de verkenning van het zonnestelsel doorgaan. Ruimtesondes werden gelanceerd voor onderzoek naar onder meer Jupiter, Venus en de komeet Halley. De Sovjet-Unie begon bovendien met de bouw van het ruimtestation MIR, dat zou uitgroeien tot een van de belangrijkste ruimtelaboratoria uit de geschiedenis van de ruimtevaart. Daarnaast ontwikkelden de Sovjets de Buran, een herbruikbaar ruimtevaartuig dat was ontworpen als tegenhanger van de Amerikaanse Space Shuttle.
Aan het einde van het decennium werd de Galileo-sonde gelanceerd voor een uitgebreide verkenning van Jupiter en zijn manen. Tijdens haar missie legde de sonde later de spectaculaire inslagen van de komeet Shoemaker-Levy 9 op Jupiter vast, wat wetenschappers waardevolle informatie opleverde over zowel de komeet als de atmosfeer van de grootste planeet van ons zonnestelsel.
1990 – 1999: Internationale samenwerking
De eerste helft van de jaren negentig werd gekenmerkt door belangrijke wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen in de ruimtevaart. In 1990 werd de ruimtetelescoop Hubble gelanceerd met als doel verder het heelal in te kijken dan ooit tevoren. Kort na de ingebruikname bleek echter dat de telescoop een defecte hoofdspiegel had. Dankzij een succesvolle reparatiemissie met de Space Shuttle kon Hubble alsnog uitgroeien tot een van de meest succesvolle wetenschappelijke instrumenten ooit gebouwd.
Ook de Europese ruimtevaartorganisatie ESA boekte belangrijke resultaten. Zo werd een sonde gelanceerd om de zonnewind en de interactie tussen de zon en de aarde te onderzoeken. Daarnaast werden talrijke wetenschappelijke experimenten uitgevoerd in het Spacelab-ruimtelaboratorium aan boord van de Amerikaanse Space Shuttles.
De Sovjet-Unie, en later Rusland, breidde het ruimtestation MIR verder uit met nieuwe modules, waardoor het station uitgroeide tot een geavanceerd onderzoekscomplex in een baan om de aarde. Tegelijkertijd introduceerden verschillende ruimtevaartorganisaties nieuwe draagraketten, terwijl de Verenigde Staten een nieuwe Space Shuttle aan hun vloot toevoegden.
De tweede helft van het decennium stond vooral in het teken van de verkenning van planeten, manen en andere hemellichamen. Diverse missies werden gelanceerd om Mars te onderzoeken, al waren niet alle ondernemingen succesvol. Daarnaast werden nieuwe duur- en afstandsrecords in de ruimte gevestigd en schreef NASA opnieuw geschiedenis toen voor het eerst een vrouw het commando voerde over een Space Shuttle-missie.
Ook werd een begin gemaakt met de bouw van het International Space Station (ISS), een internationaal samenwerkingsproject dat zou uitgroeien tot het grootste ruimtestation ooit gebouwd. Ondertussen werden nieuwe generaties draagraketten ontwikkeld en gelanceerd door ruimtevaartorganisaties en ruimtevaartprogramma’s van de Verenigde Staten, Rusland, Japan, Brazilië, Noord-Korea en Oekraïne, waarmee de wereldwijde toegang tot de ruimte verder werd uitgebreid.